De groeiende broedpopulatie Grauwe Gans en de landbouwschadeontwikkeling in de zomerperiode in Limburg is aanleiding geweest voor de Limburgse Faunabeheereenheid om te starten met het beheren van de populatie. In oktober 2007 is de Handreiking voor het beleid voor jaarrond verblijvende ganzen uitgebracht door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). De Minister vraagt hierin om met behulp van de Handreiking op regionaal niveau beleid te formuleren en maatregelen te treffen waarmee de door jaarrond verblijvende ganzen veroorzaakte problemen aangepakt kunnen worden. De omvang en aard van de schade hangt af van de grootte, de leeftijd en de soortensamenstelling van de ganzenpopulaties, de mate van verwevenheid tussen natuur en landbouwgebieden, de aard van de landbouw en fysisch-geografische verschillen tussen regio’s. De meest succesvolle aanpak om schade te beperken verschilt daarom sterk per locatie en voor het voeren van een succesvol beleid is dus een lokaal op maat gesneden aanpak essentieel. In 2005 is daarom in opdracht van de Limburgse Faunabeheereenheid (FBE) een populatieanalyse uitgevoerd naar de Grauwe Gans in Limburg.
Van 2007 tot 2009 heeft een driejarige pilot gelopen om te kijken of het gevoerde beheer ten aanzien van verjaging naar gedooggebieden met vergoedingsregelingen voldeed aan de verwachtingen.
Praktisch betekent dit een vorm van flexibel beheer, waarbij er onderscheid gemaakt gaat worden tussen gebieden met veel en gebieden met minder overlast door de aanwezigheid van meer respectievelijk minder ganzen. In de gebieden met relatief minder overlast zal een methode gebaseerd op schadebestrijding met preventieve middelen en beperkt ondersteunend afschot worden ingesteld. In gebieden met meer overlast en meer ganzen zal een dynamisch beheermodel worden ingesteld: opvanggebieden voor de ganzen zonder afschot en met gedoogvergoedingen via Beheerpaketten, en daaromheen actieve en ruime verjaging met afschot.
In de provincie Limburg nestelen Grauwe Ganzen in moerasvegetaties rond ontgrindingen (Maasplassengebied) en mesotrofe tot eutrofe vennen in heide- en hoogveengebieden (bijvoorbeeld de Peel, de Hamert, de Meinweg en de Beegderheide), soms zelfs in gebieden die grotendeels door bos worden omringd. Ook bezetten de ganzen eilandjes en strekdammen in het Maasplassengebied.
Doorgaans zijn graslanden als voedselgebied in de nabijheid aanwezig. De kernpopulatie ligt in het Maasplassengebied.
In 2005 waren de belangrijkste broedlocaties de strekdammen onder de spoorbrug bij Roermond en tegenover de Clauscentrale bij Osen. Tevens werden het eiland in de Molengriend en de Asseltse plassen volop bezet door broedende ganzen. Ook in de provincie Limburg heeft de Grauwe Gans zo zijn eisen om tot broeden over te gaan. Veilige broedplaatsen en foerageer- en opgroeigebieden grenzend aan water zijn hierbij noodzakelijk. In 2008 zijn de broedplaatsen meer verspreid over Limburg.
Kenmerken populatie Grauwe Gans in Limburg
· |
De populatie stamt af van een klein aantal geïntroduceerde vogels in 1977 in Duitsland. |
· |
De Limburgse populatie vormt samen met de populatie in Kreis Viersen en Belgisch Limburg één populatie, de ‘Maasdalpopulatie’. |
· |
Waarschijnlijk is het merendeel van de populatie standvogel. |
· |
Na het broedseizoen vindt er uitwisseling plaats tussen de deelpopulaties van de Maasdalpopulaties om te ruien of te foerageren, waarbij het Limburgse Maasdal centraal staat. |
· |
Naar schatting 60% van de aantallen in de najaar/ winter zijn afkomstig uit de Limburgse populatie, 30% van de aantallen uit Belgisch-Limburg en Kreis Viersen en 10% zijn Scandinavische Grauwe Ganzen (P.Voskamp 2006) |
· |
De hoogste concentratie broeders is gevestigd in het Maasplassengebied, waar in hoge aantallen hoofdzakelijk koloniegewijs wordt gebroed. De broedparen in het Maasplassengebied concentreren zich sterk op slechts enkele geschikte broedplekken (strekdammen en eilanden). |
· |
In het noorden van Limburg nemen de broedparen nog steeds toe. Natuurherstelprojecten in de vennen en heidegebieden hebben voor een toername van voor de Grauwe Gans geschikt leefgebied gezorgd. In het zuiden geldt dit ook voor de nieuwe ontgrindingsplassen, hoewel hier minder broedparen zitten |
· |
De kuikens groeien op in de directe omgeving van de broedlocatie, bij voorkeur in de directe omgeving van water en kort grasland. |
· |
Langs de Maas bevinden zich op Limburgs grondgebied drie belangrijke ruiplaatsen (Molengriend, Asseltse plas, Osen) en een aantal in België en Duitsland. |
· |
Het totale aantal ganzen in het stroomgebied van de Maas en omliggende gebieden (ook in België en Duitsland) is naar schatting 9.000, waarvan naar schatting 2.500 ganzen actief deelnemen aan de reproductie. |
· |
De tendens lijkt te zijn dat de broedgroepen zich verkleinen en verplaatsen naar plekken waar zij minder verstoord worden door mensen en dierlijke predatoren. Op de grote strekdammen waar eerst gebroed werd, is een teruggang van aantallen nesten en eieren geconstateerd. |
· |
Het broedsucces werd door de Provincie Limburg gemonitoord, en is de afgelopen jaren gelijk gebleven (Witteveen & Bos, 2007). Wel is er een verschuiving zichtbaar van de grote groepen naar meer verspreide groepen broedende dieren. |