Nee, tenzij
De Flora- en faunawet gaat uit van de bescherming van in het wild levende dieren. De beschermende functie van de wet bestaat primair uit het verbieden van bepaalde handelingen jegens in het wild levende dieren. De meeste verbodsbepalingen gelden alleen voor dieren die behoren tot inheemse diersoorten die bij of krachtens de wet zijn aangewezen als beschermde soort, zogenaamde beschermde inheemse diersoorten. Zo zijn alle wilde zoogdieren die van nature in Nederland voorkomen, en alle vogelsoorten die van nature op het grondgebied van de Europese Unie voorkomen beschermd, enkele uitzonderingen daargelaten. Het is in principe verboden deze diersoorten te verontrusten, vangen, verwonden of doden, noch is het toegestaan hun holen, nesten en andere voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen te beschadigen, of hun eieren te zoeken of te rapen.
Bepaalde verboden gelden voor alle in het wild levende diersoorten, zoals het voorkomen dat dieren onnodig lijden bij de bestrijding van schade. Deze verbodsbepaling is gebaseerd op het uitgangspunt dat dieren een intrinsieke waarde hebben. Daarnaast geldt de zorgplicht ten aanzien van alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of juist het nalaten daarvan nadelige gevolgen voor dieren kan hebben, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten dan wel zich in te spannen om de nadelige gevolgen te beperken of ongedaan te maken.
Uitzonderingen op de bescherming
De Flora- en faunawet biedt mogelijkheden om af te wijken van de op bescherming gerichte bepalingen. Primaire voorwaarde voor inbreuk op de wettelijke beschermingsbepalingen is dat er geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Daarnaast geldt als voorwaarde dat het ingrijpen in populaties een redelijk doel moet dienen. Onder een redelijk doel wordt verstaan:
1) in de wet gereguleerde jacht voor benutting,
2) beheer van populaties en
3) voorkomen en bestrijden van schade door diersoorten ter bescherming van de in de wet genoemde belangen.
Deze drie handelingen worden samengevat onder jacht, beheer een schadebestrijding.
Ten aanzien van de uitvoering van jacht heeft de Faunabeheereenheid geen rol. Het vaststellen van de mogelijkheden met betrekking tot de uitvoering van de jacht liggen bij de Minister van LNV.
Beheer en schadebestrijding is voor het grootste gedeelte gedelegeerd naar de provincies.
Provincies vormen hun eigen beleid ten aanzien van de in de provincie voorkomende diersoorten. Dit beleid wordt vastgelegd is de provinciale beleidsnota Flora- en faunawet.
Deze beleidsnota’s worden om de paar jaar herzien.
Dit is de oorzaak dat er veel verschil zit tussen het beleid in de verschillende provincies.
Kaders binnen Beheer en Schadebestrijding
In het kader van Beheer en Schadebestrijding zijn er drie kaders waar binnen handelingen kunnen vallen.
Vrijstelling
- Landelijke (artikel 65)
- Provinciale (artikel 65)
Aanwijzing
- Provinciaal (artikel 67)
Ontheffing
- Provinciaal (artikel 68)
Daarnaast kan het ook zijn dat diersoorten geen bescherming van de wet genieten.
Dit kan zijn omdat ze zijn aangewezen als onbeschermde diersoort of dat zij zijn aangewezen als exoot.